Verbied discriminatie van lesbiennes, homo’s, bi’s en transgenders (LHBT’s) in de Grondwet. Die oproep aan regering en parlement doet COC Nederland dinsdag, aan de vooravond van Amsterdam Gay Pride, in NRC Handelsblad.
DE TIJD IS RIJP VOOR LHBT’s IN DE GRONDWET
‘Iedereen is gelijk, maar sommigen zijn meer gelijk dan anderen.‘ Die gedachte bekruipt je wanneer je als lesbienne, homo, bi of transgender (LHBT) het eerste artikel van de Nederlandse Grondwet leest. Want terwijl dat artikel discriminatie op grond van bijvoorbeeld godsdienst, ras en geslacht terecht expliciet verbiedt, moeten LHBT’s het doen met een onduidelijk bijzinnetje over discriminatie ‘op welke grond dan ook.’
Het gevoel van ongelijkheid wordt versterkt doordat ‘lagere wetgeving’, zoals de strafwet en de Algemene wet gelijke behandeling, homodiscriminatie wél expliciet verbieden. Alsof het bij LHBT’s gaat om een ‘tweederangs’ discriminatieverbod, dat het noemen in de Grondwet niet waard is.
Aan de vooravond van de Gay Pride 2015 vraagt het COC regering en parlement om snel een expliciet verbod op LHBT-discriminatie op te nemen in artikel 1 van de Grondwet.
Er is een maatschappelijke noodzaak voor zo’n verbod. Want nog altijd krijgen zeven op de tien LHBT’s te maken met fysiek of verbaal geweld om wie ze zijn. Meer dan de helft van de openlijke LHBT-jongeren werd het afgelopen jaar getreiterd om hun identiteit en zelfmoordcijfers in deze groep zijn bijna vijf keer hoger dan gemiddeld. Onder transgenders ligt het werkeloosheidspercentage tot vier maal hoger. Het zijn slechts enkele voorbeelden van hedendaagse LHBT-discriminatie.
Een expliciet verbod op LHBT-discriminatie in de Grondwet is een duidelijk signaal dat LHBT-discriminatie onacceptabel is. Dat is op zich al genoeg reden om de Grondwet aan te passen. Bovendien maakt het duidelijk dat discriminatie wegens godsdienst (wel expliciet genoemd) en seksuele identiteit (niet genoemd) even zwaar wegen. Niet onbelangrijk, want juist deze twee gronden schuren in praktijk nog wel eens wanneer mensen – denk aan weigerambtenaren – met een beroep op godsdienst LHBT’s discimineren. Een expliciet verbod zorgt er ook voor dat de circa 1 miljoen LHBT’s in Nederland zich beter in de Grondwet zullen herkennen.
Levert expliciete vermelding in artikel 1 Grondwet LHBT’s juridisch ook iets op? Dat werd in 2006 voor de regering onderzocht door een speciale commissie, die concludeerde dat expliciete vermelding maar liefst drie bijzondere vormen van rechtsbescherming biedt.
Ten eerste is het een ‘vingerwijzing’ of opdracht aan de wetgever om er voor te zorgen dat LHBT’s ook in de toekomst beschermd worden tegen discriminatie. Want een verbod op LHBT-discriminatie in bijvoorbeeld de strafwet kan nú wel vanzelfsprekend lijken, het is niet gezegd dat dat zo blijft als de publieke opinie zich onverhoopt ooit weer tegen LHBT’s keert. Ten tweede kent de rechter volgens de commissie in bepaalde gevallen waarde toe aan expliciete vermelding. Daardoor is discriminatie soms makkelijker te bewijzen. Tenslotte is er volgens de commissie sprake van maatschappelijke rechtsbescherming: expliciet vermeldde gronden zijn een soort ‘maatschappelijk baken’ waarop burgers zich in het publieke debat beroepen.
Bij de Grondwetsherziening van 1983 betoogden ministers en Kamerleden nog dat een verbod op homodiscriminatie niet voldoende paste bij de ‘heersende overtuigingen,’ dat het nog te zeer in de ‘taboesfeer’ lag. Dat – toch al niet erg valide – argument is achterhaald. Alleen al het feit dat 78 procent van de Nederlanders voor het ‘homohuwelijk’ is, toont dat aan.
Alle reden dus om een expliciet verbod op LHBT-discriminatie toe te voegen. Dat adviseren ook het College voor de Rechten van de Mens en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Negen andere Europese landen, waaronder Spanje, Zweden en Malta, hebben al zo’n Grondwettelijk verbod. En er lijkt breed politiek draagvlak: de VVD was bij Grondwetsherziening van 1983 al vóór en D66, GroenLinks en PvdA kwamen in 2010 met een initiatiefwetsvoorstel van deze strekking.
Een wijziging van artikel 1 kan snel geregeld worden als deze partijen hun wetsvoorstel weer oppakken. Minister Plasterk kan de wijziging meenemen in de diverse Grondwetswijzigingsvoorstellen die hij indiende. Dus wat ons betreft: aan de slag!
Oud-minister van Binnenlandse Zaken Van Thijn noemde artikel 1 ooit ‘de vlag op onze Grondwet.’ Als het aan het COC ligt wordt dat artikel binnenkort eindelijk ook een beetje een regenboogvlag.
Tanja Ineke, voorzitter COC Nederland
Philip Tijsma, voorzitter COC’s Landelijke Werkgroep Politiek









